slavernij

In de Zuidelijke Staten werkten slaven in de suikerrietteelt en op katoen- en tabaksplantages. Die leverden de katoen voor de Engelse  textielindustrie en sommigen wensten ook slaven te kunnen houden op plantages in de nieuw te ontginnen staten. Vanaf het einde van de 18e eeuw kwam er steeds meer protest tegen slavernij. De Act Prohibiting Importation of Slaves verbood sinds 1808 de invoer van nieuwe slaven uit Afrika. Verkoop van binnen de VS geboren slaven was nog wel mogelijk. Slavenbezitters waren daardoor vaak aangewezen op de natuurlijke aanwas van hun bestand en dwongen de vrouwen om kinderen te baren. In 1819 zorgde een regeling ervoor dat staten boven de 36°30' breedtegraad geen slaven meer mochten houden. Staten die eronder lagen mochten dat nog wel. Vanaf 1830 verscheen in het Noorden van de V.S. het blad Liberator met propaganda voor het abolitionisme, het streven naar de afschaffing van de slavernij. Het werkte de Zuiderlingen zodanig op de zenuwen dat zij de jacht openden op de abolitionisten en hun geschriften verbrandden. Het gedachtegoed blokkeerde bovendien alle politieke mogelijkheden, niemand wilde zijn vingers aan het probleem branden. Het Britse Rijk schafte de slavernij in 1833 af na kritiek uit religieuze én economische hoek. Zo stelde Adam Smith dat een vrije arbeider productiever was dan een slaaf en dat ondernemers met slaven niet innoveren. De slavernij kwam in het Noorden in 1860 niet meer voor, omdat het systeem niet langer bestand bleek tegen het gebrek aan rendement.

Maak jouw eigen website met JouwWeb